# VibeFinance — Beheer De app draait in **2 containers**: `app` (Express API + gebouwde frontend) en `postgres`. Eén image, één origin — geen aparte webserver en geen interne proxy. --- ## Ontwikkeling ```powershell .\dev.ps1 # build + start (standaard) .\dev.ps1 build # alleen bouwen .\dev.ps1 up -Target app # alleen de app herbouwen + herstarten .\dev.ps1 up -Target postgres # alleen de database herstarten .\dev.ps1 logs # logs van de app volgen .\dev.ps1 test # testsuite draaien .\dev.ps1 down # stoppen én volumes wissen .\dev.ps1 push # dev-image naar registry pushen ``` > Op macOS/Linux: gebruik `./dev.sh` met dezelfde argumenten. In dev draait één container beide processen (zie `docker/dev-entrypoint.sh`): | Adres | Wat | |---|---| | http://localhost | Vite dev-server met hot reload | | http://localhost:3001/api/health | de API rechtstreeks | Vite proxyt `/api` naar `localhost:3001` binnen dezelfde container. > ⚠️ Alleen `.\dev.ps1 down` wist de development-database (`docker compose down -v`). > `.\dev.ps1 up` doet een gewone `down` en laat het volume staan. --- ## Testen ```powershell .\test.ps1 # dependency-check + backend-tests + build + smoketest .\test.ps1 -Unit # dependency-check + backend-tests .\test.ps1 -NoSmoke # zonder de stack te starten .\test.ps1 -Strict # faal als een dependency achterloopt .\test.ps1 -SkipDeps # dependency-check overslaan (bijv. offline) ``` Alles loopt in Docker; Node op de host is niet nodig. | Stap | Wat er gebeurt | |---|---| | Dependency-check | `docker/check-updates.mjs` vergelijkt `package.json` met het npm-register | | Backend-tests | `Dockerfile` target `test` → `node --test` in `backend/test/`, zonder database | | Productiebuild | `Dockerfile` target `production` — faalt de Vite-build, faalt deze stap | | Smoketest | app + postgres starten en `/api/health` en `/` opvragen | De dependency-check draait standaard bij elke testronde, dus je ziet direct of er updates open staan. Pakketten die bewust achterblijven zet je met een reden in `docker/update-exceptions.json`; die worden als `[vast ]` gemeld en laten de check niet falen. Zonder netwerk: `-SkipDeps`. In een CI-gate: `-Strict`. De check los draaien: ```bash docker run --rm -v ${PWD}:/repo -w /repo node:22-alpine node docker/check-updates.mjs docker run --rm -v ${PWD}:/repo -w /repo node:22-alpine node docker/check-updates.mjs --strict ``` Losse backend-tests en linting in een lopende dev-container: ```bash docker compose -f docker-compose.dev.yml exec app npm test docker compose -f docker-compose.dev.yml exec app npm run lint docker compose -f docker-compose.dev.yml exec -w /app/frontend app npm run lint ``` --- --- ## Release workflow ```powershell # 1. Versienummer in package.json van "x.x.x-dev" naar "x.x.x" # 2. Changelog.md bijwerken — die sectie wordt de release-notes # 3. Token met release-rechten zetten $env:GITEA_TOKEN = "" .\release.ps1 # test, bouw (amd64+arm64), push, tag, Gitea-release .\release.ps1 -DryRun # droogloop — toont alle stappen zonder uit te voeren .\release.ps1 -NoBuild # sla docker build over, alleen tag + release .\release.ps1 -SkipTests # sla de testsuite over (niet aanbevolen) # 4. Versienummer in package.json naar "x.x.(x+1)-dev" voor volgende cyclus ``` Het script bouwt één image voor `linux/amd64` en `linux/arm64`, zodat dezelfde tag op een Raspberry Pi en op een x86-server werkt. ### Tokens niet elke sessie opnieuw zetten Staat er een `.env.release` naast `release.ps1`, dan leest het script die in voordat er iets gebeurt. Handig voor stap 3, die anders elke nieuwe shell opnieuw met de hand moet: ``` # .env.release — staat in .gitignore, hoort alleen op de release-machine GITEA_TOKEN= REGISTRY_USER= REGISTRY_TOKEN= ``` Een variabele die al in je shell staat wint, zodat je per run kunt afwijken zonder het bestand aan te passen. Het script logt alleen welke namen het heeft geladen, nooit de waarden. Twee **verschillende** tokens is hier de bedoeling: de registry heeft `write:package` nodig en het aanmaken van een release `write:repository`. Eén breed token voor beide werkt ook, maar dan gaat een repo-schrijfrecht mee bij elke `docker push`. > Een **404** in stap 5 betekent bijna altijd dat de token de repo niet mag > zien: Gitea geeft op repo-endpoints 404 in plaats van 403, om niet te > verklappen dat iets bestaat. Controleer dan eerst wie de token is en wat hij > ziet: > > ```powershell > $h = @{ Authorization = "token $env:GITEA_TOKEN" } > (Invoke-RestMethod https://vibehoogie.duckdns.org/api/v1/user -Headers $h).login > (Invoke-RestMethod https://vibehoogie.duckdns.org/api/v1/user/repos -Headers $h).full_name > ``` > > Staat de repo niet in die lijst, dan mist de token de repository-scope of > hoort hij bij een account zonder toegang. --- ## Docker ```bash # Update via pre-built images docker compose pull && docker compose up -d # Reset inclusief database ⚠️ wist alle data docker compose down -v && docker compose up -d ``` Pullen vereist een registry-login op die host — zie [Pullen op een deploy-machine](#pullen-op-een-deploy-machine). ### PostgreSQL versie-upgrade Bij een upgrade van PostgreSQL (bijv. 16 → 18) is de bestaande data niet compatibel. Stappen: ```bash # 1. Backup maken docker exec vibefinance_postgres pg_dump -U vibefinance vibefinance > backup-$(date +%F).sql # 2. Oude containers en volumes verwijderen docker compose down -v # 3. Nieuwe versie starten docker compose up -d # 4. Backup terugzetten docker exec -i vibefinance_postgres psql -U vibefinance -d vibefinance < backup-YYYY-MM-DD.sql ``` --- ## Architectuur — één app-container De Express-app serveert zowel de API als de gebouwde frontend: | Verzoek | Wat de app doet | |---|---| | `/api/...` | REST API (rate limited) | | `/assets/...` | statische build uit `STATIC_DIR`, 1 jaar `immutable` gecached | | al het overige | `index.html` — fallback voor React-routing | `STATIC_DIR` staat standaard op `/app/public`; daar zet de `Dockerfile` de Vite-build neer. Bestaat die map niet (bijv. in dev), dan serveert de app alleen de API en logt dat bij het starten. > Ontbreekt de build in het image, dan krijg je op `/` een 404 en werkt alleen > `/api/...`. Controleer dan de `frontend-build` stage in de `Dockerfile`. --- ## Logs en diagnose ```bash # Live logs (dev) — beide processen van de app-container docker compose -f docker-compose.dev.yml logs -f app # Live logs (productie) docker compose logs -f # Shell in de app-container (dev) docker compose -f docker-compose.dev.yml exec app sh # Status containers docker compose ps # Database inspecteren (dev) docker exec -it vibefinance-postgres-dev psql -U vibefinance -d vibefinance # Database inspecteren (productie) docker exec -it vibefinance_postgres psql -U vibefinance -d vibefinance ``` --- ## Data persistentie De backend slaat alle data op in **PostgreSQL**. | Omgeving | Volume | Mount pad | |---|---|---| | Productie | `vibefinance_pgdata` | `/var/lib/postgresql` | | Development | `postgres_dev_data` | `/var/lib/postgresql` | > PostgreSQL 18 gebruikt `PGDATA=/var/lib/postgresql/18/docker`. Het volume is gemount op `/var/lib/postgresql` zodat data bewaard blijft na een container restart. **Backup maken:** ```bash # Dev docker exec vibefinance-postgres-dev pg_dump -U vibefinance vibefinance > backup-$(date +%F).sql # Productie docker exec vibefinance_postgres pg_dump -U vibefinance vibefinance > backup-$(date +%F).sql ``` **Backup terugzetten:** ```bash # Dev docker exec -i vibefinance-postgres-dev psql -U vibefinance -d vibefinance < backup-2026-04-08.sql # Productie docker exec -i vibefinance_postgres psql -U vibefinance -d vibefinance < backup-2026-04-08.sql ``` --- ## Gebruikersbeheer De eerste geregistreerde gebruiker krijgt automatisch de **Admin**-rol. Verdere accounts kunnen via de app aangemaakt worden (Gebruikersbeheer, Admin vereist) of via de API. Rollen: | Rol | Rechten | |---|---| | `Admin` | Alles, inclusief gebruikersbeheer | | `Bewerker` | Data lezen en bewerken | | `Viewer` | Alleen lezen | --- ## Productie checklist - [ ] `POSTGRES_PASSWORD` instellen op een sterk wachtwoord - [ ] `JWT_SECRET` aanpassen (genereer met `openssl rand -hex 64`) - [ ] `CORS_ORIGIN` instellen op je domeinnaam - [ ] `APP_PORT` aanpassen indien poort 3400 al in gebruik is - [ ] Testsuite groen (`test.ps1` / `./test.sh`) - [ ] TLS afhandelen via een externe reverse proxy (bijv. Nginx Proxy Manager, Caddy, Traefik) --- ## Dependencies bijwerken Node hoeft niet op de host te staan; de lockfiles zijn met een container bij te werken. Per map (`frontend` en `backend`): ```bash # Laatste versies opzoeken docker run --rm -v ${PWD}/frontend:/w -w /w node:22-alpine npm outdated # Versies in package.json aanpassen, daarna de lockfile herschrijven docker run --rm -v ${PWD}/frontend:/w -w /w node:22-alpine npm install --package-lock-only ``` Daarna altijd de testsuite draaien — die bouwt ook het productie-image, dus een kapotte upgrade valt meteen op: ```powershell .\test.ps1 ``` En de dev-stack herbouwen. `node_modules` staan in anonieme volumes; zonder `--renew-anon-volumes` blijven de oude versies staan. `.\dev.ps1 up` doet dit al automatisch: ```powershell .\dev.ps1 up ``` > Let op bij majors: `eslint-plugin-react` loopt achter op ESLint (peer > `<= ^9.7`), daarom staat de frontend op ESLint 9 en de backend op 10. > Express 5 vereist benoemde wildcards in routes (`/api/*splat`); `server.js` > gebruikt daarom pad-loze middleware in plaats van `app.get("*")`. --- ## Registry ``` vibehoogie.duckdns.org/vibe/vibefinance-app (frontend + backend in één image) Tags: latest productie — meest recente release x.x.x productie — specifieke versie latest-dev development — meest recente dev build x.x.x-dev development — specifieke dev versie ``` Inloggen op de registry: ```bash docker login vibehoogie.duckdns.org ``` Gebruikersnaam is je Gitea-account, wachtwoord een **access token** met scope `write:package` (Gitea → Settings → Applications → Generate New Token). Zonder login faalt een push met `401 Unauthorized`; `release.ps1` en `dev.ps1 push` controleren dit vóór de build en stoppen dan meteen. Liever niet handmatig inloggen? Zet deze variabelen, dan logt het script zelf in: ```powershell $env:REGISTRY_USER = "" $env:REGISTRY_TOKEN = "" ``` Twee valkuilen: log in op `vibehoogie.duckdns.org` **zonder** `:3000` (dat is een aparte sleutel in de credential store), en doe het als dezelfde Windows-gebruiker in dezelfde shell — Docker-credentials zijn per gebruikersprofiel. Controleren wat er is opgeslagen: ```powershell docker-credential-desktop list ``` ### Pullen op een deploy-machine Het package is privé, dus ook een **pull** vereist een login — anoniem geeft `401 Unauthorized` (`docker compose pull` meldt dan "no basic auth credentials" of "pull access denied"). Eenmalig op de Docker-host: ```bash docker login vibehoogie.duckdns.org # gebruikersnaam: je Gitea-account # wachtwoord: access token met scope read:package ``` Daarna werkt `docker compose pull && docker compose up -d`. De login komt in `~/.docker/config.json` van de gebruiker die het commando uitvoert — doe het dus als dezelfde gebruiker (bij `sudo docker` is dat root). Log in op `vibehoogie.duckdns.org` **zonder** `:3000`. Controleren zonder te pullen: ```bash docker manifest inspect vibehoogie.duckdns.org/vibe/vibefinance-app:latest ``` --- ## Update-notificaties De app vergelijkt de draaiende versie met de laatste **release** op Gitea en toont dat op het belletje in de topbalk en onder "Over VibeFinance". **Hoe de check loopt** 1. De frontend vraagt `/api/update-check` op de eigen backend — de Gitea API stuurt geen CORS-headers, dus de browser mag die niet direct bevragen. 2. De backend haalt `releases/latest` bij Gitea op en cachet het antwoord 15 minuten. 3. De frontend kijkt bij het openen, daarna elk half uur en bij het terugkeren naar het tabblad. Alleen een écht hoger versienummer geeft een melding. Builds met een `-dev` suffix melden nooit (die lopen voor op de laatste release). Wil je de melding tijdens ontwikkeling toch testen: open de app met `?updatecheck` in de URL. **Configuratie** De bron staat in de root `package.json`: ```json "repository": "https://vibehoogie.duckdns.org/vibe/VibeFinance", "updateCheckUrl": "https://vibehoogie.duckdns.org/api/v1/repos/vibe/VibeFinance/releases/latest" ``` `dev.ps1` zet die URL als `UPDATE_CHECK_URL` in de omgeving; in productie komt hij uit `.env` (of de default in `docker-compose.yml`). Beschikbare backend-variabelen: | Variabele | Betekenis | |---|---| | `UPDATE_CHECK_URL` | Release-API die gepolld wordt. Leeg = melding uit. | | `UPDATE_CHECK_TOKEN` | Alleen nodig als de repo in Gitea niet publiek leesbaar is. | **Een release publiceren** Een kale Git-tag is niet genoeg: `releases/latest` geeft alleen echte releases terug. `release.ps1` maakt die aan (stap 4) met de changelog-sectie van die versie als release-notes. Daarvoor is een Gitea-token met release-rechten nodig: ```powershell $env:GITEA_TOKEN = "" .\release.ps1 ``` Zonder token slaat het script die stap over met een waarschuwing — images en tag staan dan wel klaar, maar gebruikers zien geen melding tot de release bestaat.